zaterdag 5 maart 2016

EINDSTATION


Net als hij het leven weer heeft omarmt, dringt het besef door dat de Sint Annastraat zijn laatste adres is. ‘Hier sterf ik dus’, peinst pappi hardop. Mijn gedachten erbij: je mag hopen dat je hier vredig inslaapt. ‘Het gaat nog heel erg lang duren voordat jij het loodje legt, hoor’, beur ik de 88-jarige op voordat de naargeestige gedachte postvat. ‘Ik kan je niet missen en bovendien heeft het zoveel moeite gekost om hier te komen, dat je nog minimaal vijf jaar moet genieten als tegenhanger voor alle sores. Daarnaast moet je het in het leven altijd beter doen dan je ouders. Oma is 92 geworden, dus die moet je sowieso nog voorbijstreven.’ Op Q.’s gezicht breekt de zon door, het akelige ogenblik is voorbij.

Naderhand moest ik denken aan een tekstje van Wim Karreman in het NRC: een poging om de 100 te halen
Mijn oude schoonvader hoopt in oktober 100 te worden. Nu zijn op zijn gang in het bejaardentehuis de afgelopen weken al drie mensen overleden. Niet ongebruikelijk natuurlijk in een bejaardentehuis, maar zo komt de dood wel erg dichtbij. En mijn schoonvader wil die 100ste verjaardag met burgemeester erbij niet missen. Hij ziet niet erg best meer, maar luistert graag naar luisterboeken. En schrijven, met hanepoten, kan hij ook nog goed. Zo had hij op zijn deur, in de gang waar Magere Hein zo had huisgehouden, een briefje geplakt met een mededeling aan diens adres: ik ben er niet.

vrijdag 4 maart 2016

BRANDOEFENING


De frêle nieuwkomster waant zich slechts op bezoek. ‘Ik ben tijdelijk hier in Florida bij mijn dochter. Ik vlieg binnenkort weer naar Nederland’, bazelt ze overtuigend. Ik tuur door het vensterglas naar een Hollandse lucht waar hagel en ijzel de strijd aanbinden met natte sneeuwvlokjes: wie raakt het eerst de grond. Het winterweer maakt op haar geen indruk. Wel gestommel op de overloop later dat zich laat aanhoren als inbrekers. Ze aarzelt geen moment en slaat stoer met een vuist het ruitje van de brandmelder in. Wiehoe wiehoe.

De bhv'ers trekken een sprint naar het alarmtableau. De inwoners verroeren geen vin, wel houden ze hun handen tegen de oren gedrukt - behalve mijn hardhorige pappi. Wat een kabaal. ‘Wat is er aan de hand, ik sliep net’, knort de nieuweling, een recente weduwnaar. ‘Er is iemand ontsnapt’, flap ik eruit. In de zaal ontspint zich een spannend gezelschapsspel, een detective á la Agatha Christie. Want: wie is de grote afwezige? Het geluid verstomt.

Mieamiemevrouw in zuurstokroze joggingpak (maatje xs) betreedt de volle zaal met de handen voor haar gezicht geslagen: ‘Ik schaam me zo. Ik ben de boosdoener en weet zelf niet eens meer waarom.’ Ze schuift met broze schouders aan bij de rolstoelster. Terwijl de zuster een knalblauwe pleister op haar bloedende pols plakt, legt zij liefdevol haar hand op haar fragiele onderarm: ‘U hoeft zich nergens voor te schamen. U bent juist een heldin.’ Betraande ogen kijken hoopvol op. ‘Ja, een heldin! Dankzij u was er een brandoefening en weten we zeker dat het alarm werkt.’

donderdag 3 maart 2016

ONTSNAPT



Soezerig houden we twee zitplaatsen bezet in de zonnige vestibule. De biezen zitting van het brocante vierkantje zwicht bijna onder het (over)gewicht. Met dank aan het goede leven is pappi een beetje buikig. En Q. weigert te wandelen. Ik maan hem kordaat om effe te luchten. Het is goed voor zijn conditie en gewicht. Hij mag mijn tijdelijke hondje zijn, hij kan met zijn verzorger mee of met de groep.

Voor een voormalig autarkisch persoon is het moeilijk om zich over te geven: ‘Voor mij hoeven schoolreisjes niet, ik kan best in mijn eentje op stap’. Ik grap: ‘Net als een kat moet je eerst aan je nieuwe omgeving wennen, voordat het is toegestaan om op eigen houtje een straatje om te lopen. Q.: ‘Ik zit toch niet in een gesloten inrichting! En mocht ik de weg kwijtraken, ben ik niet te verlegen om iemand aan te klampen.’

Mijn ‘bevel’ heeft geholpen. Obstinaat stiefelt hij zogenaamd achter de groep aan. Stiekem piept hij ertussenuit. Ontsnapt aan het toezicht. De verzorging is in alle staten. Ik stel ze op hun gemak: ‘Pappi loopt niet in zeven sloten tegelijk.’ Er wordt een zoekvoettocht georganiseerd, ik pak de fiets. Na krap 5 minuten is hij terecht. Gevonden tussen de laurier achter de kerk. Ik verdenk hem er zwaar van dat hij zich daar expres verschool.

woensdag 2 maart 2016

DIPDAG


Iedereen heeft weleens zijn dag niet. Zo had Pappi opstartproblemen in de vroege uurtjes. Het onderbuikgevoel zwakte pas af na inname van een Aspro (een placebo ‘Paracetamol’ die voor hem de rustgevende werking van Oxazepam heeft). Na ons rituele ochtendtelefoontje bleef ik de rest van de dag met een rotgevoel zitten, terwijl Quirinus rond noen weer boven Jan was.

Tegenwoordig lost de tijdelijke somberte op doordat zijn geheugen hiaten vertoont. Die beroerde ochtend herinnert hij zich later op de dag simpelweg niet meer. Daarom heb ik me aangewend om de vroege middag aan te wenden voor een opgewekt praatje of bezoekje. Overheerst de neerslachtigheid dan nog, dan maken we er een dipdag van. We balen allemaal weleens. Je moet er alleen niet in blijven hangen. Door het gevoel te benoemen en af te kaderen, geef je jezelf of iemand anders de kans om kortdurend zwelgen toe te staan, maar je er daarna over heen te zetten.

dinsdag 1 maart 2016

ORDE EN TUCHT


Ik ben koud 15 minuten binnen, of pappi vraagt hoe laat ik weer weg ga. ‘Leuk hoor, ik ben net hier. Vind je het niet gezellig dat ik er ben?’ gekscheer ik. ‘Hartstikke leuk’, klinkt het gemeend. Om de haverklap blikt hij op zijn horloge. Onaangemeld (normaal bel ik of kondig ik bezoek aan op de weekkalender) doorkruis ik zijn schema. ‘Had je andere plannen?’ informeer ik. ‘Nou, ik moet nog een dutje doen voor het eten.’ Er volgt wat gesoebat over hoe lang zo’n dutje duurt en dat hij pas over ruim twee uur hoeft aan te schuiven voor het diner. Bovendien luisteren de tijden niet zo nauw. Er hangt echt geen bord met orde en tucht tegen de gevel. Integendeel. De gedisciplineerde Q. toont zich minder flexibel: dat mag. Als hij blijft doorzagen dat hij niet te laat wil komen, kus ik hem ter afscheid. Spontane ingevingen laat ik voortaan achterwege.

zondag 28 februari 2016

HET KLEINSTE KAMERTJE


In de centrale hal wissel ik van gedachten met een van de verzorgsters. Een beschaafde oudere heer in een stemmig gestreept pyjamajasje met een iets te wijde ribbroek trekt schutterig met zijn duimen de bretels in een punt. Eerder was hij, geheel in nachttenue, teruggestuurd naar zijn verblijf om zich aan te kleden.

Na het reguliere potje dammen en zijn middagdutje dwaalt hij rond in het voormalige klooster op zoek naar de her en der verspreide toiletten. Hij voelt aan deurklinken en monstert aandachtig hoeken in verschillende ruimten op zoek naar verlichting. Als hondenmoeder herken ik het onrustige pupgedrag. Na een sluimerslaapje en na een spelletje moet puppy dringend naar buiten voor een nummer 1 of een nummer 2. 


De verzorgster heeft ogen in haar rug. Op het moment dat de liftdeuren openen en mijnheer zijn bretels laat zakken, onderbreekt ze abrupt ons gesprek en vliegt naar hem toe. Adequaat pakt ze hem bij de hand en dirigeert hem naar de plee. Als hij heeft geloosd, bedankt de opgeluchte man haar beleefd en tegelijk verwonderd: hoe wist zij wat hij zocht?