woensdag 21 december 2016

PORTOFOON



Alles Roger?

Sinds Q. een telefoon heeft die hij kan bedienen, belt hij op de gekste momenten van de dag. Helemaal begrijpen doet hij het apparaat niet, maar het is het simpelste wat er te koop is: toetsen met de naam/foto erop. Tijdens ons gesprek hoor ik geregeld een digitale piep. Achteraf begrijp ik het patroon pas. Telkens als hij uitgesproken is, en het mijn spreekbeurt is, drukt hij op de knop met mijn naam erover. Hij ziet de telefoon als een portofoon die hij in zijn arbeidzame leven vaker heeft gebruikt. De knop indrukken betekent: 'over' naar Cela. Ik mag het woord. 

maandag 19 december 2016

EENZAAM AAN DE TOP

Vier op een rij: Schoonzus Riet, zus Truus, Q., en broer Jos(ef) in de tuin.

Al zijn vrienden en wat ver weg wonende familie is al gesneuveld. Dat is helaas inherent aan een hogere leeftijd bereiken. Diegene die uiteindelijk overblijft, is weliswaar de winnaar, maar betaald daarvoor de hoofdprijs. Pappi voelt zich daarom  weleens emotioneel eenzaam, ondanks dat hij veel onder de mensen (bewoners en verzorging) is. Je kunt het wel over ditjes en datjes met iedereen hebben, genieten van natuur, muziek of aandacht, maar serieuze goeievriendengesprekken zijn schaars geworden.

Omdat Q. steeds vergeetachtiger wordt en inmiddels drie black-outs in twee maanden tijd heeft gehad, regel ik foto's van de visite om gesteggel te voorkomen. Q. kan zich bezoek namelijk niet herinneren: 'Ik zie hier nooit iemand! Echt niet, ik krijg nooit bezoek!' Hij meent het serieus zonder zielig te doen. 'Mia, je vriendin, komt trouw elk weekend en wij zien en/of horen elkaar dagelijks (meerdere malen denk ik erachter aan)', zeg ik. 'Jij telt niet als bezoek, zegt pappi, 'wij zijn samen.'

Driedelig: biesemennekes kleinzoon Thijs, opa en zoon Rene.

Bovenstaande foto's liet ik afdrukken en in een lijstje plaatsen. Q. kan zich geen moer van de visite herinneren. Bij de drie generaties roept hij: 'He, wat leuk! Een foto van Peter!' 'Wie is Peter?' vraag ik. Q. praat eroverheen: 'Tjonge, die Peter. Da's leuk!' Ik doe net of ik gek ben en vraag nogmaals om Peter aan te wijzen. Dat kan hij niet. Pappi antwoordt: 'Die anderen (incluis hemzelf) ken ik niet.' 'Moet ik nu echt met je naar de spiegel lopen', lach ik. 'Ik weet wel wie ik ben,' mompelt hij en daar houden we het bij. Het is zoals mijn broer later zegt: 'We hebben ons pap een fijne middag laten beleven, dat is het toch waard.' En zo is het.