vrijdag 22 september 2017

IN DE LAPPENMAND


Pappi is neusverkouden en heeft last van een rochel die wordt veroorzaakt door slijm in de hogere luchtwegen. Aan iedereen die het (niet) wil horen, demonstreert pappi het gereutel. Als dochter heb ik een streepje voor: als bonus mag ik ook de opgehoeste fluim bewonderen. Ik vertel pappi dat de fluimucil, het instrijken met Dampo/Vicks en keeltabletjes hun werk doen, maar dat een lichaam tijd nodig heeft om te herstellen. Als hij  tegen de zusters begint te klagen over lamlendigheid en hoofdpijn (nee, ik wil geen paracetamol, da's troep), vindt de verpleegkundige het raadzaam een visite aan te vragen.

Pappi voor de tigste keer aan de lijn: 'Alles gaat buiten mij om. De zuster heeft zomaar de dokter gebeld. Hij komt vanmiddag. Wat moet ik tegen hem zeggen?' Ik: 'Wat je mankeert.' Pappi: 'Waar heb ik dan last van?' Ik som de hele klaagmuur op en vertel dat in samenspraak met de zuster de dokter komt. 'Mm', klinkt hij niet echt overtuigd. De diagnose is niet eenduidig: bronchitis (net als mijn opa, zijn pa), een zware verkoudheid of een beginnende longontsteking. Om het zekere voor het onzekere te nemen bij een bijna 90-jarige, en voor zijn eigen gemoedsrust, krijgt hij een lichte antibioticakuur. 

Pappi ontgaat het een en ander. Hij belt me op: 'De dokter is geweest. Hij heeft me ziek verklaard. Maar hoe moet dat nou met mijn werk?' 'Werk?' ik frons mijn wenkbrauwen. 'Ja, ik ben op mijn werk ziek geworden. Wil jij me bij mijn baas afmelden, en me ophalen want ik weet niet hoe ik naar huis kom.' 'Je bent al 28 jaar met pensioen!' praat ik 'm bij. 'Nee, dat klopt niet, want mijn collega's zijn hier bij me. Bovendien als ik geen betrekking meer heb, waar leef ik dan van? En waar zijn mijn medicijnen?' Dan verwonderend: 'Gek he, ik weet dat ik nu daaps ben en maar wat raak wauwel, en toch krijg ik het in mijn hoofd niet op een rijtje.

Ik bevestig de hele situatie nogmaals in simpele bewoordingen en leg uit dat de zuster de pilleninname regelt. Pappi gaapt. 'Als je nou eens een dutje gaat doen, dan ordenen de gedachten zich vast in je slaap', stel ik voor. 'Kom jij dan nog?' klinkt het zielig. Natuurlijk check ik 's middags in. Verbaasd: Jij weer hier?!' Pappi zit er monter bij, klinkt minder nasaal en laat het zelfs na om zijn hoest voort te brengen. We zoeken een bankje in de zon, uit de wind; lekker vitamientjes opdoen. Pappi: 'Ik vind het leuk dat je komt, maar ik leg toch niet te veel beslag op je?' 'Welnee, voor geen greintje', lieg ik, terwijl ik mijn hoofd op zijn schouder leg. Niet het eerste ingenomen pilletje, maar alle menselijke aandacht heeft de prelude van de herfstblues (voor even) verdreven.

woensdag 20 september 2017

TANTE BETSIE


'Vanmiddag komt je zus uit M. op bezoek', meld ik aan pappi.' 'Kom jij ook?' vraagt hij. 'Ja, ik kom ook', bevestig ik. 'Da's leuk', klinkt het opgewekt. Na wat heen en weer gebel over huishoudelijke zaken - hoe laat, wie komt er, wie is dat en ik heb geen ijskast en zorg jij voor alles - besluit ik maar om iets eerder te gaan. Mijn innemende, sterke en positief ingestelde kwebbeltante die onlangs de liefde van haar leven heeft verloren, wordt gebracht door mijn neef en diens jongste zoon, een vlotte tiener. Een vertrouwd weerzien. Pappi die natuurlijk voornamelijk met vrouwen in de zorg van doen heeft, vindt het geweldig dat er twee jongemannen bij zijn, zuslief is zomaar van minder belang. 

Hij pompt zich op om met de jongens over te kunnen, terwijl dat nergens voor nodig is. Hij verzint ter plekke misplaatste stoere praat over zijn tijd in IndiĆ« (piefpafpoef zo schoten we de vijand neer), vloekt menigmaal ('zo hebben we je niet opgevoed papaatje') en doet heel royaal over zijn vermeende privileges in het Zorghuis (mijn tante Marie was hier abdis, ik heb zelfs haar kamer, ik ben de eerste bewoner, de nestor enzovoorts), gaapt als anderen aan het woord zijn. Ik rol met mijn ogen richting familie. We begrijpen elkaar. Tijdens de rondleiding in ZIJN tuin, wandel ik met mijn vieve tante en praat pappi die expres achterblijft, honderduit tegen de heren. 

Als de familie huiswaarts is, is Q. in de bonen: 'Waar is mam nou?' Jammer dat ik 'm na twee gezellige uurtjes moet briefen dat mijn schat van een moesje al 11 jaar in een potje zit. Ik reik hem de matzwarte standaard urn die in de vitrinekast staat aan. 'Zit mam hierin?' pappi lacht ongelovig en laat het erbij.