zaterdag 19 maart 2016

CONTACT


Het matzwarte seniorentoestel met eenvoudige (foto)bediening staat werkeloos in de kast. In het Zorghuis waar pappi woont, is geen vaste telefoonaansluiting. Voor het plegen van een belletje is de zusterpost 24/7 paraat. Een bewuste keuze: ouderen kunnen het telefoonnummer niet lezen en tikken verkeerde cijfers in, of ze teisteren hun familie met ontelbare telefoontjes per dag. Iets om hoorndol van te worden. 

Ouderdom komt met gebreken. Tijdig begonnen we met het instrueren van de handy, zoals Q. zijn mobiel noemt. Ondanks de gestage afbrokkeling van zijn geheugen, lukt het hem wonderwel. Zelf pareert hij dat hij volstrekt niet weet hoe dat petieterige snoerloze apparaatje te hanteren. Daarnaast blijft hij zich afvragen hoe dat wonder van technisch vernuft weet met wie hij contact wil.

‘Hallo?’ Het is Q.’s aarzelende stem via de mobiele telefoon. ‘Ja, met mij’, reageer ik. ‘Ik weet niet hoe dat verrekte ding werkt, en ik wil je bellen’, stelt Q. ‘Je hebt me nu aan de lijn, dus je weet hoe het moet’, zeg ik onbewogen. Stilte aan de andere kant. Ik hoor hem prakkiseren. ‘Nee, dat weet ik echt niet. Schrijf je het voor me op als je komt?’


vrijdag 18 maart 2016

PA


Wie is er niet mee weggedragen: ‘Waarheen leidt de weg’ van Mieke Telkamp. Bij de titel stond ik nooit zo stil. Totdat mijn alleenwonende pappi de mist inging. Ouders hebben zorgplicht, kinderen niet. Geen enkele ouder heeft het recht om zijn kind te dwingen in de rol van mantelzorger. Als vanzelfsprekend wierp ik me geleidelijk op als Persoonlijk Assistent van de dementerende Q. Iets wat ik in mijn jeugd voor onmogelijk hield (als puber voel je je onaantastbaar, ouderdom verpest dat gevoel), groeide ongevraagd met mijn eigen klimmende jaren: ik ontwikkelde een zwak voor oudjes.

Terug naar mijn vrijwillig PA-schap. Pappi’s falende geheugen leunt op mij. Met gemak legt hij alles op mijn schouders neer. Ik ben zijn vertrouwenspersoon, gezelligheidsdier, administrateur, toezichthouder, verpleegster, psycholoog, regelaar enzovoorts. Een eenzame vader, afhankelijk van zijn kind.

Ik help Q. graag en hij waardeert dat. We kunnen het goed samen vinden. En als je een klik met iemand hebt, gaat alles vanzelf. Wat me bijna nekte was het van-het-kastje-naar-de-muur gestuurd worden bij de (gemeentelijke) instanties. Het is intriest dat de overheid het ouderen zo moeilijk maakt. Bejaardenhuizen zijn weggesaneerd, op noodzakelijke hulp is bezuinigd, informatie is versnipperd en obsoleet. 

‘Waarheen leidt de weg?’ Je moet er niet te lang bij stilstaan, maar: wie wordt de reddende engel van mijn (kinderloze) generatie als die hulpbehoevend bejaard wordt?

NB Q. woont inmiddels op een prachtplek: een kleinschalig particulier wooninitiatief. Daarover een volgende keer.

donderdag 17 maart 2016

TOLK


Q. heeft een koutje opgelopen - influenza sluiten we uit vanwege de griepprik. Zijn borstkast schuurt en piept. De gemeten bloeddruk is prima. De nachtzuster smeert voor het slapengaan Dampo op de luchtpijp, de keel en op de rug ter hoogte van zijn longen. Het kleverige smeersel wordt ouderwets afgedekt met het ‘familie-erfstuk’: een flanellen doek met margrietendessin die tijdens luchtweginfecties verademing brengt. Bij het welterusten geef ik hem een luchtkusje: je weet maar nooit.

De ochtend erop is zielenpietje ietwat opgeknapt. Het ontbijt wordt uitgeserveerd op zijn kamer; verwennen moet als je ziek bent. Geen koorts en toch communiceert hij matig. Niemand wordt wijs uit zijn warrig gebrabbel. Als een professionele tolk vertaal ik perfect de onzin die hij uitkraamt. W.’s mond hangt open: ‘Zeg je nou zomaar wat of hoor je echt wat hij frazelt?’ Net als de moeder van een baby of een hondenvrouwtje dat kan lezen en schrijven met haar hond, versta ik elk woord. Q. bevestigt het met knijpende ogen.

woensdag 16 maart 2016

GAZELLE


Pappi is de realiteit uit het oog verloren. Pas twee maanden woont hij op zijn nieuwe adres. De omgeving is vreemd voor hem. Stukje bij beetje verkent hij (onder begeleiding) met stok of achter de rollator de wijk. Hij is in de veronderstelling dat ik om de hoek woon. Ik laat hem in die waan. Het stelt hem gerust dat zijn dochter dichtbij is.

‘Van de week fiets ik naar je toe’, belooft hij. Pochend: ‘Dat stukje naar jou toe is peanuts vergeleken bij de 30 km die ik per dag kar.’ Q. lijdt lichtelijk aan zelfoverschatting. Zijn stalen ros rust reeds anderhalf jaar bij mij in de stalling. Het is heel tegenstrijdig, want naast dit soort opmerkingen blijft hij alsmaar vragen waar zijn Gazelle is.

Vanwege file in een defecte bovenleiding is het onverantwoord om pappi te laten fietsen. Ik houd mijn hart vast: desoriëntatie, zich staande houden op de pedalen, manoeuvreren in druk verkeer, traag reactievermogen, en een stram lijf. In zijn gedachten kan Q. het allemaal, ik heb zo mijn bedenkingen. De beslissing om de fiets te verkopen, schuif ik voor me uit. Weer een stukje zelfstandigheid dat hem wordt afgenomen.

Met dank aan een gure noordwestenwind, de ondermaatse temperaturen, en nattigheid - ‘Was het maar vast lente’, reikhalst Q - raakt de onvermijdelijke teleurstellende mededeling op de achtergrond. Als hij zoveel moet afschrijven, mag hij dan ook vergeten dat mijn moeder en hij na zijn pensionering kilometervreters waren?

dinsdag 15 maart 2016

KRACHT


Van de dingen die voorbij gaan. Wie deed/doet het niet: ongesteven lakens getweeën strak trekken. Simultaan naast haar staand met een mini strijkplank en -boutje, streek ik als kind samen met mijn moesje de lakens glad. Bij mij en mijn vijf jaar oudere broer mondde het steevast uit in een wild robbertje: elkaar omvertrekken. Beter gezegd: big brother gaf onverwacht een flinke ruk aan het linnen en ik tuimelde om.

Pappi werd weduwnaar en hij deelde voortaan de lakens uit. Strak trekken werd geleidelijk een krachtmeting. Jarenlang vouwden we zo (bad)handdoeken, dekbedden en overtrekken tot kaarsrechte torens. Q. boette aan fysieke kracht in en ik kocht strijkvrij beddengoed. Niet veel later vertrok pappi naar het Zorghuis waar de schoonmaakster de vuile was collecteert. Een traditie bruusk verbroken. Ik had hem zo graag nog een keer Gerard Jolings ‘Ik heb er de kracht niet meer voor’ horen schmieren.

maandag 14 maart 2016

KINDS


Het zit tot in het diepst van zijn wezen verankerd: respect tonen voor mens en dier. Eerst een flinke stap terug in de tijd naar een schandelijke gebeurtenis die ik me persoonlijk niet meer heugen kan - mijn moeder haalde het gedurende de opvoeding meermaals aan om enige vorm van onbeschaafdheid acuut de kop in te drukken. Tijdens een van onze ontelbare treinritjes in een Nederland dat gedomineerd werd door kleurloze koppen, moet ik als kleuter een zwarte neger met een brede boeg die in ‘onze’ coupé zat, eerst ongelooflijk hebben zitten aanstaren en daarna oprecht geïnteresseerd hebben gevraagd: ‘Meneer, waarom heeft u zo’n gigantische gok?’ De tweemeterman kon er mee lachen en deed ‘boe’. Mijn moeder zweette peentjes en stamelde excuses van plaatsvervangende schaamte. Mij gaf ze de volle laag. Onbegrijpelijk: ik was toch beleefd geweest door ‘meneer’ te zeggen.

Terug naar mijn buikdienende vader van 90 kg+. Kinds gaan de remmen los. Pappi en ik kletsen over koetjes en kalfjes in de rumoerige wachtkamer van de cardioloog. De dovige Q. articuleert hoorbaar. Een zwaarlijvige medewerkster met een stapel dossiers in haar armen wordt in het voorbij ploegen voorzien van ongezouten commentaar: ‘Die is vet!’ Impulsief trek ik hem aan zijn mouw: ‘Hé, gedraag je!’ Een gezette scholiere in een volgens Q. potsierlijke garderobe wordt hoofdschuddend met de wandelstok nagewezen: ‘Meid, denk aan je lijn.’ Ik trek een ontkennend ik-ken-die-rare-snuiter-ook-niet-gezicht en schuif iets bij Q. vandaan. Weer alleen: ‘Zullen we afspreken dat je beledigende opmerkingen voor je houdt? Waar is je fatsoen gebleven?’ De anders zo welgemanierde Q. is zich van geen kwaad bewust. Een vriendelijke in wit gestoken doktersassistente komt ons op knalroze Crocs™ halen. Pretoogjes, maar pappi perst zijn lappen wild vlees demonstratief op elkaar.