zaterdag 20 februari 2016

VRIJ



Prettig weekend en tot maandag.


vrijdag 19 februari 2016

DRANKPROBLEEM


De hond en ik gaan kort bij opa langs. Opa begint vergeetachtiger te worden. Hij biedt me herhaaldelijk wat te drinken aan. ‘Nee, dank u. We moeten aansluitend wandelen en dan moet ik onderweg minstens plassen. Ik neem straks thuis een drankje’. Na zes keer in korte tijd vragen of ik limonade of thee wil, klinkt het dwingend: ‘In godsnaam neem wat te drinken anders blijf ik vragen!’ Ik zet een glas kraanwater voor de show op tafel. Q. is opgelucht.

De hond vindt het niet erg dat opa aan een hanteerbare vorm van dementia lijdt. Hij profiteert er zelfs van. Bij elke verontschuldiging ‘Och jongen, ben ik je vergeten en heb jij nog niks gehad’, hobbelt het beestje goedgemutst met zijn meest onschuldige expressie achter hem aan naar de keuken. Ik houd mijn mond als-ie samenzweerderig knipoogt ‘opa’s zijn er om te verwennen.’ Terwijl de hond fiemeltjes soepvlees in bouillon uit een soepkommetje lebbert, slokt opa ‘Och, waarom staat mijn glas nou hier?’ mijn water op. 

donderdag 18 februari 2016

ACHTER DE GERANIUMS


Q. is helemaal opgebloeid nu hij zijn voordeur kan vergrendelen.
Op zijn balkon was Q. zowat de hele dag in de weer met vegen, gieteren, bemesten, en verdorde bloempjes/blaadjes uit de hosta’s en lavendel plukken. Hij is een echt natuurmens. In zijn nieuwe onderdak heeft Q. in het gezamenlijke laantjespark een pittoreske patio ter beschikking. Zijn bloeiend groen is mee verkast en onder zijn raam geplant. Met de restrictie om ‘zijn’ hoekje bij te houden.

Q. zit achter de geraniums, zeg maar hosta’s. Naar buiten gaan doet hij niet. Ooit heeft een of andere Miep bij een intakegesprek voor zijn dagopvangindicatie ingetikt dat Q. vanwege zijn Boerenbondachtergrond het best tot zijn recht zou komen op een zorgboerderij. En zoals we allemaal weten: als er eenmaal bij een instantie iets in de computer staat, valt dat moeilijk te herroepen. Het gegeven zorgboerderij (dat bij elk officieel gesprek opduikt) kan Q. allerminst bekoren: ‘Ik heb vanaf mijn twaalfde gewerkt, ik ga toch niet weer aan de slag! En dan ook nog koeienstront opruimen zeker!’ 

Q. vertikt hij het bij voorbaat om de gemaakte afspraak na te komen: ik wil het niet, ik doe het niet! We laten het gewoon betijen. Pappi loert door zijn verrekijker. De kopjes van de Hosta’s prikken door de aarde heen. Pompende pimpelmezen en lenteachtige zonnestralen lonken hem naar buiten. Hij schiet uit zijn sloffen, trekt zijn klompen aan en pakt de meegebrachte groene gieter uit de badkamer, sluit zijn kamerdeur. In de gang naar zijn tuintje mompelt hij in zichzelf: 'Als ze maar niet denken dat ik zo gek ben en de hele tuin ga onderhouden.'

woensdag 17 februari 2016

OP SLOT


Pappi zit opgesloten in zijn kooi, zoals hij het zelf noemt. Dat klinkt dramatischer dan het is. Kooi is een term die hij over heeft gehouden uit zijn marinetijd. Alleen op voedertijden verlaat hij zijn sfeervol ingerichte kamer. ‘Waarom ga je niet in de recreatiezaal zitten’, polste ik al meerdere malen. ‘Je wilde zo graag onder de mensen zijn en nu blijf je opgehokt.’ ‘Vriendschappen sluiten gaat niet meer zo vanzelfsprekend als toen ik jong was’, zucht hij. ‘Je zult toch eens een begin moeten maken’, werp ik kordaat tegen. Q. komt steeds met nieuwe vernuftige smoesjes.

Tussen neus en lippen door hoor ik dat hij na de genuttigde maaltijden direct terugkeert naar zijn kamer. Er begint me wat te dagen. Als ik een beetje aandring, komt het hoge woord eruit. Hij wil zijn kamer niet verlaten, omdat er geen slot op de deur zit. ‘Iedereen kan hier zomaar binnenlopen en wat stelen’, pruillipt hij. ‘D’r valt toch niets te halen, pa’, probeer ik het met een grapje. Maar Q. is bloedserieus. Zijn hele leven, ook toen hij ging vergeten, zat secuur sloten controleren bij het verlaten van de woning, verankerd in zijn systeem. Dat hij dat nu zomaar los moet laten, is onuitvoerbaar. Ik leg hem uit dat de verzorging 24 uur per dag toegang moet hebben. Q. vindt het onacceptabel dat hij zich niet op kan sluiten. ‘Als ik een dutje doe en voor het slapengaan steek ik een wig onder deur, dan kan er niemand stiekem binnensluipen’, fluistert hij samenzweerderig. En fier hardop: ‘Goed gevonden van me, hè?’ Ik begrijp hem. Het wordt direct door H. hoofd van de technische dienst met een speciaal slot opgelost. 




dinsdag 16 februari 2016

DWEILEN MET DE KRAAN OPEN


De laatste twee dagen in het Q’s appartement (hij spreekt over ‘een afgebrand dorp’) zijn een regelrechte ramp. Witgoed en overtollige huisraad worden afgehaald door opa’s kleindochter die gelijktijdig gaat samenwonen. Een bof. De vitrage die precies op zijn nieuwe stek van pas komt, is naar de stomerij. Zonder gordijnen voelt pappi zich te kijk gezet, ondanks dat ik hem keer op keer verzeker dat niemand naar binnen kan kijken: ‘De wolken weerkaatsen in de ruiten, dus Jan en alleman zien slechts lucht. En wat dan nog?’ Onrustig plakt Q. de ramen kriskras af met witte kruisen van dubbelzijdige isolatietape en grijze vuilniszakken. De kamerbrede inbouwkast heeft de timmerman opgehaald om in te passen in de nieuwe woonsituatie. De achtergebleven schappen die mogen blijven hangen van de woningbouwvereniging gaat Q. met een schroevendraaier te lijf.
 
Eén helft van het lits-jumeaux die we omgebouwd hebben tot dagbed, wacht in het nieuwe onderkomen op z’n slapie. Tegen uit bed vallen, wordt geadviseerd een vochtige dweil langs het eenpersoons te leggen. Ik besluit er niets over te berde te brengen. Hoe meer je erop hamert dat iets NIET mag, des te meer triggert het instinctief rebelsheid. Q. overleeft de nacht zonder mankementen. Wanneer we in de ochtend op zijn nieuwe onderkomen arriveren, slaat de nieuwe buurvrouw beschaamd haar kamerdeur dicht. Ik vang nog net een glimp op van haar bont en blauwe gezicht. Onwennig na 60 jaar echtelijke sponde hadden waarschuwingen voor het overnachten in een enkelvoudige ledikant averechts gewerkt. Ik wist het! 

maandag 15 februari 2016

VERHUIZEN


Q. moet verhuizen. Zelfstandig wonen is geen optie meer. De verhuisdatum is geprikt. Van te voren moet er bekeken worden wat wel en wat niet mee kan. Het professioneel advies: de nieuwe woonomgeving overzichtelijk, spaarzaam en prikkelarm inrichten met spullen waaraan hij gehecht is. Van pappi krijg ik weinig bijstand op mijn vraag wat hij pertinent wil behouden en wat niet. Overal kleven herinneringen aan. ‘Alles moet mee’, paniekt hij. ‘Oké, alles gaat mee’, jok ik ter geruststelling.
 
Mijn eigen interieurarchitect maakt een praktisch plan voor een mooie functionele inrichting. Accessoires die meegaan, doe ik alvast  in dozen. Elke keer als we gaan klussen op het toekomstige adres kan er een lading mee; dat scheelt op de hectische verhuisdag zelf. Wanneer ik terugkom van weer een lading in de auto zetten en een praatje met de concierge, trappelt pappi van ongeduld op de corridor. ‘Ik vind het zo vervelend dat je zoveel werk met me hebt, daarom heb ik je geholpen.’ Trots troont hij me mee naar de woonkamer. ‘Vind je het er ook niet gezellig uitzien zo? Ik voel me hier al helemaal thuis!’ De verwarde Q. had de drie laatste dozen die klaar stonden voor transport uitgepakt en de snuisterijen her en der uitgestald. Ik was sprakeloos.