zaterdag 27 februari 2016

ONTHOUDEN


Soms lees je treffende regels waarvan je zou willen dat je ze zelf geschreven had. Vergeten is het probleem niet. Alles onthouden wat is verdwenen, is veel erger. Credits: schrijfster Esther Gerritsen (uit haar column ‘Onthouden’ in de VPRO gids. Ook van Esther: soms lijkt de wereld alleen maar ruimer te worden, terwijl de geest schreeuwt om afbakening (uit haar column ‘platenspeler’ in de VPRO gids).

Fijn weekend en tot maandag!

vrijdag 26 februari 2016

GOEDGELOVIG


Nieuwsgierig stommelen belangstellenden de heropende inpandige kapel binnen. Een serene ruimte in eeuwige glorie met gebrandschilderde ruiten waar zonnestralen laat in de middag mee flirten. De pastoor is van plan om bij voldoende animo elke vrijdagavond de mis op te dragen. Buiten dat mag iedereen de stilteruimte gebruiken voor bezinning.

‘Wat een knappe jongeman, daar is een goede vader aan verloren gegaan’, becommentarieert Q. na afloop. Tegen mij hangt hij een verhaal op dat hij is gevraagd voor koster. ‘Waarom altijd ik?’ draaft Q. door. Volgens mij verzint hij het ter plekke - de leiding is het onbekend. ‘Als assistent mag ik wekelijks de wijn aanreiken’, rebbelt hij verguld verder.

Q. laat zich meeslepen door zijn hersenspinsels, terwijl hij decennia geleden (mede door de ontelbare ontuchtzaken) al van zijn geloof is afgevallen. In vervoering gebracht koerst hij naar zijn kamer. Uit de koperen kolenkit waar onder zijden klimop mijn moeders as rust, graait hij het koperen kistkruisje vandaan: ‘Waar zullen we het ophangen?' Zijn ogen flitsen de kamer rond. ‘Geloof je het zelf, pappi?’

donderdag 25 februari 2016

NAAR HUIS


Gestoken in een beige mohair mantel, zit ze met haar handtas op schoot startklaar in haar kamer. Ze wacht passief op de bus die haar naar huis moet brengen. Het besef dat dit haar nieuwe onderkomen is, wil maar niet indalen. De verzorging gaat er buitengewoon geduldig en liefdevol mee om. De zuster trekt voor de zoveelste keer haar jas uit, zet de tas op het mimisetje, en neemt mevrouw gezellig babbelend mee naar de recreatiezaal. De zuster heeft haar kont nog niet gekeerd of ze priemt het knalgele breiwerk dat voor haar op tafel lag bijna in mijn arm. ‘Ik moet dringend naar huis mijn man verzorgen. Hij is bedlegerig en heeft hulp nodig.' Ik begin over haar breiwerk, niet wetend wat te doen.

Haar voltallige familie heeft de 91-jarige overleefd. Zij herbeleeft non-stop het verleden. Ontroerende oude ogen smeken om begrip: ‘Ik moet naar huis. Mijn vader is helemaal alleen.' ‘Hoe oud is uw vader?’ Ik moet iets. ‘91’, antwoordt ze prompt. ‘Dat kan toch helemaal niet. Dan zou u beide net zo oud zijn’, probeer ik luchtig. ‘Mijn zoon weet niet dat ik hier ben, ik moet echt dringend naar huis’, negeert ze mijn aangedragen argument. Radeloos verloren blijft ze staan.

Help! Hoe moet je handelen in zo’n specifieke situatie? Meegaan in haar gedachten of haar met de neus op de feiten drukken? Ik word gered door de zuster die haar inhakend als een vriendin naar haar kamer begeleidt. Daar hangt een fotogalerij aan de muur met al haar overleden dierbaren. Mevrouw blijft in de ontkenningsfase en doet er het zwijgen toe: daar is het laatste woord nog niet over gevallen, zie je de volhoudster denken. Ik weet zeker als ik strakjes naar huis ga, zij haar jas weer aanheeft.

dinsdag 23 februari 2016

ZELFREFLECTIE


Pappi’s nieuwe thuis, een kleinschalige huiselijke woonvorm, is een warm bad. Het is er ontiegelijk gezellig. De hartelijke en uiterst geduldige verplegers, verzorgenden en gastdames is geen moeite te veel om het de bejaarden (met liefde en humor) naar hun zin te maken. Over dat gegeven zijn Q. en ik het geheel eens. Qua bewoners - ik heb allengs een zwak voor de (aandoenlijke) oudjes ontwikkeld - verschillen we danig van mening. Pappi, gespeend van elke vorm van zelfreflectie, vindt zijn medebewoners van lotje getikt of vervelend. ‘Ik ben de enige normale hier’, drukt hij het gedesillusioneerd uit als we priv├ę zitten.

Ik kort mijn bezoekje in; als pappi zo doet, kun je hem beter in zijn uppie laten begaan, heb ik geleerd. Tegenspraak of hem wijzen op een gebrek aan zelfkritiek (jij woont hier ook met een reden!) verergeren het zelfbeklag. Bij de uitgang tref ik de dochter en schoonzoon van de Rijdende Rollator. ‘Is jouw vader al gewend?’ vraagt ze oprecht ge├»nteresseerd. ‘Mijn moeder vindt haar medebewoners allemaal dwazen en gekken. Ik ben de enige gezond van lijf en leden hier’, mokt ze tegen ons. ‘Typisch’, proest ik van schik. ‘Pappi omschrijft het ongeveer precies zo. Ach, ze wonen er pas. Het is voor iedereen wennen en aftasten. Ze zijn nergens beter af dan hier.’ ‘Zo is het maar net’, stemt de dochter kordaat knikkend in. 

maandag 22 februari 2016

NACHTMERRIE


Oude bomen moet je niet verplanten, is een soms terecht, soms onterecht spreekwoord. Voor dementerende ouderen (en de mantelzorgers) is 24uurs zorg een zegen. Voorzichtig begint Q. te acclimatiseren in zijn nieuwe luxe onderkomen. Wanneer ik mijn vrijwel dagelijkse bezoekjes reduceer, krijgt de 'oude eik' het midden in de nacht benauwd. Hij is zo kien om de rode knop van het alarmhorloge om zijn pols in te drukken. De nachtzuster die tegenover hem op de zusterkamer waakt, staat in een fractie van een seconde aan zijn bed. Ze onderzoekt de paniekerige Q. en kan hem geruststellen. Alles is in orde. Q. had een nachtmerrie.

De dag erop vertelt pappi dat hij heeft gedroomd. Als ik informeer wat er gebeurd is, kan hij zich het hele voorval niet meer herinneren. ‘Ik durf niet meer te gaan slapen. Ik ben bang dat ik weer ga dromen’, uit hij zich bedrukt. ‘Dromen is juist goed. Dat betekent dat je brein alles aan het verwerken is’, troost ik zijn bezorgde gedachten. Als zijn verzorgster dat ook beaamt, is hij dubbel gerustgesteld. Ik tel mijn zegeningen: wat ben ik blij dat we de overstap gemaakt hebben. Q. is geborgen in een vriendelijke omgeving. Voor mij is de nachtmerrie - de bezorgdheid over een alleenwonende Alzheimerende pappi - daarmee van de baan. Ik kan met een gerust hart doorslapen in plaats van halsoverkop voor de zoveelste keer de nacht in.

zondag 21 februari 2016

VLOEKEN


We zitten met een hele zwik bewoners, verzorgenden en aanloop in de serre annex conversatiezaal. Er heerst een ongedwongen sfeer. De gewezen tuindersvrouw lacht de hele dag om alles en om niets. Ze staat redelijk kwiek uit haar relaxfauteuil op, pakt haar looprek, gaat moeizaam voorwaarts en vindt een gesloten deur: ‘Ik wil de tuin in, potdomme!’ ‘Het is veel te guur buiten’, werp ik, net handenwrijvend binnenkomend, tegen. ‘Potdomme, ik wil met mijn handen in de aarde wroeten’, mopperkont ze grinnikend. ‘In het voorjaar’, zegt een verzorgende. ‘Nee, nee, ik heb genoeg op het land gewerkt, dat doet de jeugd maar. Hoewel die niet weten wat werken is.’ Ze vloekt bij elke alinea haar stopwoord ‘potdomme’. Het heeft iets vermakelijks.

‘Potdomme!' ‘Geen gescheld, anders schaffen we een vloekenpot aan’, berispt ik haar quasi. Een bezoekende dochter van een andere ingezetene droog: ‘Dan is er zo een uitstapje bij elkaar gespaard.’ Geschater. De mevrouw kan het niet laten. ‘Kunt u het woord niet vervangen door een aardigere variant?’ oppert de bezigheidstherapeute. Er worden door iedereen ballonnetjes opgegooid: ‘potverdriedubbeltjes’, godver… biedthetvloeken’, ‘potvolkoffie’, ‘Godfried van bouillon’. Pappi heft een glas rode wijn: ‘Jonge klare!’ Ik sluit de rij met: ‘Chips’. ‘Jullie lachen me uit’, foetert ze met een brede glimlach op haar gezicht. Genietend van al die aandacht en wild wapperend met haar handen, repeteert ze: ‘Potdomme’. ‘Chips’ brult de zaal in koor. Ze giechelt: ‘Ben ik het toch weer vergeten! ‘Potdomme!’ De middag kan niet meer stuk.