Vanwege de hitte vertoeven we binnen bij de airco. ‘s Middags stoot ze tegen haar glas rosé; zo noemen we het roze water met frambozensmaak als het in een wijnglas wordt geserveerd. De slechtziende bewoonster geneert zich een beetje vanwege de tafelgenoten die zich ermee bemoeien. Haar buuf vraagt of ik een doekje wil halen. Ik rol een stuk altijd-bij-de-hand-keukenpapier af. Het blijken niet een paar druppels. Dit vraagt om het wonderdoekje.
De bewoonster van het ongelukje: ‘Ik heb echt maar een heel klein beetje omgestoten toch?’ 'Klopt en anders had het ook niet uitgemaakt. Daar zijn doekjes voor.' Wanneer de plek op tafel droog is, zie ik tussen haar benen een grote plas op de grond. Theatraal: ‘Maar goed dat ik in de buurt was. Ik zie de oceaan. U had wel kunnen verdrinken!’ Mevrouw ligt dubbel. 'Kunt u trouwens zwemmen?' Zij schouders ophalend: 'Als het moet, kan je veel.' ‘Jeetje. Er hadden zo maar vissen op u af kunnen zwemmen. HAAIEN!’ Er volgt een lachsalvo.
Een blanco A4-tje dat op tafel ligt, wordt een witte haaienvin die langs de tafelrand zwemt. Natuurlijk begeleid door doeng doeng, doeng doeng, het ijzingwekkende geluid wanneer de witte haai van Jaws in aantocht is. Mevrouw vindt het allemaal meer dan prima. Ze is blij dat niemand het meer heeft over haar onhandigheid of nog erger: in de broek plassen.
Meer bewoners willen zo leuk geholpen worden. 'Geen geknoei. dames', wijs ik met een ondeugende vinger. Ook niet als ik een leuke woordspeling heb?', vraagt buuf. 'Vooruit dan maar.' "Buuf: 'Ik heb nog nooit een haai gezien en verstond eerst hittehaai. Omdat het zo warm is hè. Ik dacht waar heeft ze het nu weer over.' Te leuk die dames.
