woensdag 5 januari 2022

WOORDENSCHAT

Mijn broer bevestigde laatst spontaan wat mij lang geleden ook was opgevallen, maar dat diep in mijn geheugen opgeslagen lag. Mijn ouders waren zeer origineel in het taalgebruik. Woorden werden verhaspeld, in archaïsche vorm gebruikt of in het Gelders en Limburgs dialect verbasterd. Pappi's verbaaltaal lees je in een volgende blog, eerst mam.

Mijn moeder was voorzien van een grappige en intuïtieve geest. De geboren pleaser maakte het graag anderen naar de zin. Het lag niet in haar aard om onaardig te zijn tegen iemand. Ze was een optimistische (woorden)schat die op velerlei vlakken haar creativiteit inzette. Zo ook in het bedenken van bijnamen voor mensen uit haar omgeving, iets dat ik vanwege de privacy bij mijn schrijfopdrachten met veel plezier onbewust nabootste. En ja, zonder het te weten, waren die fake namen soms waar.

Hier had ze spass aan:

Ze nam altijd een cadeautje mee als ze op bezoek ging. Gewoon een kleinigheidje voor de aardigheid. Zij noemde dat een 'klein geitje'.

Een provinciaalse achterbuurvrouw waar ze een hekel aan had kreeg de positievere lading: troetie. Een samentrekking van trut en moetie (Mutti), maar je associeert het met troetelen.

Als gediplomeerd coupeuse moesten haar creaties perfect zijn en precies passen: wanneer ze 'dat pies pesas' zei, was het kledingstuk door haar strenge keuring gekomen. Deugde het  van een ander niet dan was het een maaksel van 'lek me vestje'. Vond ze zichzelf of een andere vrouw er mooi uitzien dan was het compliment: 'Chique de Paris.'

Wanneer iemand onaardig was qua taalgebruik in ons bijzijn, gebruikte ze steevast de memorabele woorden van Wim Sonneveld: 'Niet op reageren, Lena.'

Verstoppen was verstoppelen, omdat dat de activiteit meteen grappig maakte.

Op haar boodschappenlijst stond achter 1 blik ananas, caïfas. Een link naar Kajafas, een hogepriester uit het nieuwe testament. Het is een verwijzing naar hoe de katholieke opvoeding er vroeger inhakte.

Door haar lage bloeddruk viel ze meer dan eens flauw. 'Ik voelde me al zo kweps (gammel)',  zei ze dan naderhand.

'Keskesikesa' is fonetisch voor qui-est-ce que c'est que ça. 'Wat is dit (nou)?' Ze gebruikte het om intelligent(er) voor de dag te komen als ze ergens geen antwoord op had. Aangezien weinigen in haar tijd Frans spraken, scoorde ze er altijd mee; niemand wilde immers voor dom versleten worden.

Als ze een beetje raadselachtig wilde doen, klonk het opgeruimd: comme si, comme ca.  (Het kan zus of zo zijn.)

Ze bracht als persoon vrolijkheid, dat dikte ze ook aan met verhaspelingen zoals: dat is niet de gedoeling.

Al naar gelang de situatie noemde ze haar echtgenoot, mijn vader: pap, pipa of pipaatje. Nooit bij zijn voornaam Cor.

'Avondrond morgen mooi weer aan boord, morgenrood water (regen) in de sloot' is een oude spreuk die teruggaat tot voor Christus. Er zijn heel veel varianten op. Mijn moeder stoeide tot  onze grote hilariteit, ook altijd met de volgorde van de woorden.

Mijn moeder was een huismus. Misschien had ze ook wel agorafobie, maar dat bestond toen nog niet. Voor het verjaardagscadeau van mijn broer maakte ze ooit heldhaftig een uitzondering. In de Rambam store vroeg ze naar de langspeelplaat van Hoera Hiephiep (Uriah heep). Het werd een klassieker thuis.

Toen de stang van het balkon lawaaierig vibreerde noemde ze dat een brulboei. Wij, geconditioneerd op lachwekkende woorden: 'Hoe verzint ze het.' Laat het nu een bestaand woord zijn dat de monteur die de stang kwam fiksen ook bezigde. Mam vond het maar wat prachtig.

Iemand die milde kwajongensstreken uithaalde was voor mijn moeder een vlegel, voor mijn vader was zo'n kind een doerak.

Het welbekende kaakje of biscuitje bij de thee dat Verkade onder de naam Maria koekje op de markt bracht, noemde mijn vier-uur-kopje-thee-moeder een mariekoekje naar haar vriendin, waarvan de man Thé heette.

Aardappels heetten bij ons geen aardappels of petatte, maar piepers. Tijdens het schillen was het elke keer: da's zo gepiept!