maandag 14 maart 2016

KINDS


Het zit tot in het diepst van zijn wezen verankerd: respect tonen voor mens en dier. Eerst een flinke stap terug in de tijd naar een schandelijke gebeurtenis die ik me persoonlijk niet meer heugen kan - mijn moeder haalde het gedurende de opvoeding meermaals aan om enige vorm van onbeschaafdheid acuut de kop in te drukken. Tijdens een van onze ontelbare treinritjes in een Nederland dat gedomineerd werd door kleurloze koppen, moet ik als kleuter een zwarte neger met een brede boeg die in ‘onze’ coupé zat, eerst ongelooflijk hebben zitten aanstaren en daarna oprecht geïnteresseerd hebben gevraagd: ‘Meneer, waarom heeft u zo’n gigantische gok?’ De tweemeterman kon er mee lachen en deed ‘boe’. Mijn moeder zweette peentjes en stamelde excuses van plaatsvervangende schaamte. Mij gaf ze de volle laag. Onbegrijpelijk: ik was toch beleefd geweest door ‘meneer’ te zeggen.

Terug naar mijn buikdienende vader van 90 kg+. Kinds gaan de remmen los. Pappi en ik kletsen over koetjes en kalfjes in de rumoerige wachtkamer van de cardioloog. De dovige Q. articuleert hoorbaar. Een zwaarlijvige medewerkster met een stapel dossiers in haar armen wordt in het voorbij ploegen voorzien van ongezouten commentaar: ‘Die is vet!’ Impulsief trek ik hem aan zijn mouw: ‘Hé, gedraag je!’ Een gezette scholiere in een volgens Q. potsierlijke garderobe wordt hoofdschuddend met de wandelstok nagewezen: ‘Meid, denk aan je lijn.’ Ik trek een ontkennend ik-ken-die-rare-snuiter-ook-niet-gezicht en schuif iets bij Q. vandaan. Weer alleen: ‘Zullen we afspreken dat je beledigende opmerkingen voor je houdt? Waar is je fatsoen gebleven?’ De anders zo welgemanierde Q. is zich van geen kwaad bewust. Een vriendelijke in wit gestoken doktersassistente komt ons op knalroze Crocs™ halen. Pretoogjes, maar pappi perst zijn lappen wild vlees demonstratief op elkaar.